Vergoedingen, tegemoetkomingen en inhoudingen

Ga verder naar 29.6

  1. Overwerk


    1. Voor de vergoeding van overwerk als bedoeld in artikel 18.4 komen alleen werknemers in aanmerking die een functie vervullen in salarisschaal 0 tot en met 8, voor zover zij het overwerk op verzoek of in opdracht van de werkgever verrichten.


    2. De werknemer kiest de vorm van vergoeding voor het verrichte overwerk:


      1. verlof gelijk aan de duur van het overwerk of


      2. een financiële vergoeding per uur gelijk aan het uurloon van de werknemer, verhoogd met een toeslag van 25%.


    3. Het opnemen van de compensatie in vrije tijd kan slechts plaatsvinden in het kwartaal volgend op de periode waarin is overgewerkt, tenzij tussen werkgever en werknemer uitdrukkelijk anders is/ wordt overeengekomen.


    4. Geen vergoeding voor overwerk wordt toegekend indien het overwerk gedurende minder dan een half uur voorafgaand aan of volgend op de normale werktijd wordt verricht.


    5. Voor de toepassing van deze regeling worden de slaapdiensten en consignatieuren niet onder de overeengekomen arbeidsduur begrepen. Gedurende de periode dat een werknemer belast is met de leiding of begeleiding van een kamp is deze regeling niet van toepassing.


  2. Slaapdienst


    1. De werknemer die in opdracht van de werkgever een slaapdienst als bedoeld in artikel 18.3 verricht, ontvangt hiervoor in plaats van een op het salaris gebaseerde vergoeding, een vergoeding in de vorm van doorbetaalde vrije tijd ter grootte van 50% van de duur van de slaapdienst.


    2. Indien en voor zover de werknemer tijdens een slaapdienst op oproep de bedongen arbeid verricht, ontvangt hij hiervoor naast de onder a bedoelde vergoeding tevens zijn salaris over de gewerkte uren.


    3. Indien binnen een half uur na het beëindigen van de arbeid die uit een oproep voortvloeit opnieuw een oproep plaatsvindt, ontvangt de werknemer naar rato van de duur van de tussenliggende periode eveneens betaling van zijn uurloon.


  3. Consignatiedienst


    1. De werknemer die zich bereikbaar houdt op de wijze als bedoeld in artikel 18.1 ontvangt daarvoor naar keuze:


      1. een compensatie in vrije tijd of


      2. een financiële compensatie.


    2. De onder a.1 bedoelde compensatie in vrije tijd bedraagt:


      • voor elk vol etmaal op maandag tot en met vrijdag één uur;


      • voor elk vol etmaal op zaterdagen en zondagen, feest- en gedenkdagen tweeënhalf uur.


    3. De onder a.2 bedoelde financiële compensatie bedraagt:


      • voor elk vol etmaal op maandag tot en met vrijdag één uur salaris;


      • voor elk vol etmaal op zaterdagen en zondagen, feest- en gedenkdagen tweeënhalf uren salaris.


    4. Wanneer tijdens de onder a genoemde dienst effectief arbeid wordt verricht, zijn onverminderd de onder b en c vermelde compensaties, de vergoeding voor overwerk (29.1) en toeslag onregelmatige diensten (28.1) van toepassing.


    5. De werkgever kan ten gunste van de werknemer afwijken van de onder b en c genoemde compensatie.


  4. Kampwerk


    1. Voor iedere dag dat de werknemer belast is met leiding of begeleiding van een kamp als bedoeld in artikel 18.2, heeft hij recht op 7,2 uur salaris en een vergoeding van € 20,- en ontvangt hij alsmede naar keuze:


      1. 4,8 uur verlof met behoud van salaris of


      2. 4,8 uur salaris.


    2. Deze regeling laat onverlet de compensatie in vrije tijd, waar de werknemer recht op heeft indien deze werkt op arbeidsvrije dagen.


    3. De werkgever kan na overleg met de werknemer in afwijking van het gestelde onder a.1, de werknemer een financiële tegemoetkoming gelijk aan het loon van 4,8 uur verlof toekennen, indien de voortgang van de werkzaamheden zich verzet tegen de compensatie in vrije tijd.


    4. De werknemer, belast met de leiding of begeleiding van een kamp heeft gedurende de kampperiode geen recht op overwerkvergoeding en evenmin op een toeslag onregelmatige dienst. In plaats daarvan ontvangt hij een vergoeding van 14% van het over de kampperiode door hem verdiende salaris, met dien verstande dat de vergoeding maximaal wordt berekend over het bedrag van salarisschaal 5 periodiek 11.


  5. Tegemoetkoming verhuiskosten


    1. De werknemer die op grond van artikel 11 verplicht is te verhuizen ontvangt daarvoor een tegemoetkoming, bestaande uit:


      1. een bedrag voor de kosten van vervoer van bagage en van de inboedel van de werknemer en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken; dit bedrag wordt vastgesteld op basis van de werkelijk gemaakte kosten, maar maximaal op basis van de adviesprijzen van de georganiseerde verhuisbedrijven;


      2. een bedrag voor dubbele woonkosten; dit bedrag is gelijk aan de noodzakelijk te maken kosten, met dien verstande dat de tegemoetkoming maximaal € 272,27 per maand bedraagt en over een termijn van maximaal vier maanden; Voor de berekening van de dubbele woonkosten wordt uitgegaan van de feitelijk betaalde kale huur van de oude woning, dan wel indien sprake is van eigen woning(en), de feitelijk betaalde hypotheekrente (na aftrek fiscaal voordeel). Het aflossingsbestanddeel in de betalingen aan de hypotheeknemer blijft derhalve buiten beschouwing.


      3. een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten.


    2. Indien de werknemer op de dag van verhuizing een eigen huishouding voert en deze ook naar de nieuwe woning wordt overgebracht, wordt het bedrag bedoeld onder a.3 gesteld op een tegemoetkoming van 12% van het jaarsalaris op de dag van verhuizing, met een maximum van € 5.445,36.


    3. Indien de werknemer op de dag van verhuizing geen eigen huishouding voert of deze niet naar de nieuwe woning wordt overgebracht, wordt geen tegemoetkoming als bedoeld onder a.3 verleend. Indien naar het oordeel van de werkgever bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden toegekend van de helft van de onder b genoemde tegemoetkoming.


    4. Bij een verhuizing van een gezin waarvan beide echtgenoten of relatiepartners belanghebbenden zijn in de zin van deze uitvoeringsregeling, wordt de tegemoetkoming als bedoeld onder a slechts aan één van deze belanghebbenden toegekend, waarbij voor de berekening het hoogste salaris in aanmerking wordt genomen.


    5. Indien de werknemer of diens echtgenoot of relatiepartner uit anderen hoofde reeds in enigerlei vorm aanspraak hebben op een tegemoetkoming in de verhuiskosten, wordt de tegemoetkoming slechts toegekend tot het bedrag, waarmee deze tegemoetkoming de eerstbedoelde aanspraak overschrijdt.


    6. Indien de verhuizing het verlaten van de dienstwoning betreft en dit verband houdt met het overlijden van de werknemer, wordt de tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.


    7. Geen recht op een tegemoetkoming bestaat, indien:


      • indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren nadat de verplichting is ontstaan. Indien de verhuizing ten gevolge van buiten de invloedssfeer van de werknemer liggende factoren niet binnen deze termijn heeft kunnen plaatsvinden, kan de werkgever op verzoek van de werknemer deze termijn één of meer malen verlengen.


      • het verlaten van de dienstwoning samenhangt met een ontslag op eigen verzoek, behalve met recht op een uitkering voor vervroegd uittreden overeenkomstig Bijlage VIII.3, of met recht op een Overbruggingsuitkering als bedoeld in artikel 2.21 van het Pensioenreglement van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, dan wel wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;


      • het verlaten van de dienstwoning samenhangt met een ontslag op staande voet (art. 7:678 BW).


    8. Indien de werknemer binnen twee jaren na de verhuizing ontslagen wordt op eigen verzoek of op staande voet (art. 7:678 BW), dient hij de hem toegekende tegemoetkoming terug te betalen.


verder naar 29.6

naar boven

terug in history