Uitkering bij overlijden

  1. De werkgever dient na het overlijden van een werknemer aan de nabesta verstrekken.


  2. De uitkering wordt verstrekt over de periode vanaf de dag van overlij de 2e maand na die, waarin het overlijden plaatsvond.


  3. De uitkering moet worden berekend naar het laatst verdiende brutoloon


  4. De nabestaanden zijn:


    1. De langstlevende van de echtgenoten van wie de werknemer niet duurzaa gescheiden leefde danwel degene met wie de werknemer ongehuwd samenleefde.


    2. Bij ontbreken van de onder a. bedoelde persoon, de minderjarige wetti natuurlijke kinderen.


    3. Bij ontbreken van de onder a en b bedoelde personen degenen ten aanzi de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.


  5. De uitkering mag alleen worden verminderd met de overlijdensuitkering de WAO/WIA ontvangen.


  1. Van ongehuwd samenleven is sprake indien twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste graad.
  2. Van “leven in gezinsverband” is sprake, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding, danwel op andere wijze in elkaars verzorging huishouding voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste graad. voorzien.
naar boven

terug in history